Philip is een forse man met vrolijke ogen. Als hij de kapsalon in loopt, trilt de vloer nog net niet. Hij ploft neer in de kappersstoel en kijkt verwonderd om zich heen naar de setting.
A: Zo! Als jij binnenkomt, komt er wel iemand binnen.
P: [glimlach] Ja, dat hoor ik vaak.
A: Je bent groot, je bent gekleurd, je hebt een vrolijke kop. Kortom, een man die zin heeft in het leven.
P: Ja, ik ben groot, gekleurd, vrolijk en val ook nog eens op mannen. Ik heb absoluut altijd zin in het leven. Altijd!
A: Is dat altijd zo geweest?
P: Ja, ik zeg altijd, het avontuur zoekt mij, en ik zoek het avontuur.
A: Dat is prachtig, dus jij hebt altijd avontuur?
P: Ja, het is voor mij altijd avontuur.
A: Heerlijk! Een avonturier met een probleem! Wat is het probleem?
P: Mijn probleem is dat ik een emotieloze opvoeding heb gehad.
M: Dat is geweest. En dat is geen probleem, dat is een feit, wat is dan het probleem?
A: Een avonturier met een emotieloze opvoeding? Hoe zag dat eruit?
P: Nou, ik mocht bijvoorbeeld niet huilen.
A: Dat lijkt me voor een avonturier ook logisch! En lachen mocht je nog wel?
P: [lacht] Ja, dat wel.
A: Lekker duidelijk tenminste! Dus wat is het probleem?
P: Het probleem is dat ik dat mijn dagelijkse leven ergens in mij heb bewaard.
A: [lacht hardop] Wat?! Dat ik mijn dagelijkse leven ergens in mij heb bewaard? Ergens in jou? Nou, er is nogal veel jij, dus dat wordt een hele zoektocht om dat te vinden. Gelukkig zijn Martijn en ik ook avonturiers….dus kom maar op!
P: [lacht mee] Nou, voor mij is het een soort emotionele knop die ik heel makkelijk om kan zetten, en als ik dat doe, voel ik ook echt niets meer.
A: Dat lijkt me fantastisch! Voel je nu wat?
P: [serieus] Nee, niets…
M: Is het ook echt een knop?
P: Nou, dat heb ik ook maar weer geleerd: dat het een knop is. Het is natuurlijk geen knop, maar als ik niet wil voelen, dan kan ik dat zomaar omzetten, zeg maar….
A: Is het nou een knop of niet?
P: [serieus] Bijvoorbeeld laatst, toen mijn moeder overleed.
A: Ja, dan wil je natuurlijk niet huilen!
M: En terecht! Zij heeft er ook wel om gevraagd, natuurlijk, met haar emotieloze opvoeding van jou!
P: [schiet in de lach] Precies!
We schieten allemaal in de lach, Philip veegt zijn lachtranen weg, zijn hele lijf beweegt….
P: [lacht nog] met…haar emotieloze opvoeding…[en lacht nog ff verder]
A: Maar wat is het probleem van het uitzetten van jouw gevoel?
P: Ja, andere mensen hebben daar wel eens last van.
A: Dat is hun probleem! Niet van jou.
M: Vertel jij dan niet aan die mensen dat jij een knop hebt die omgezet kan worden? Dat als ze emotie van jou willen, de knop dan op aan moet worden gezet?
P: Ja, dat zou kunnen helpen.
A: Heb jij er last van?
Philip denkt na. Martijn slaat hem hard op zijn knie.
P: [schrikt] Wat doe je?
M: Kijk of je hier emotioneel op reageert, of je iets voelt en of jij er dan last van hebt natuurlijk!
P: [lacht weer] Ik heb er zo nog niet naar gekeken, of ik er zelf last van heb. Ik zit met name over anderen na te denken.
M: Huh, Maar wat gebeurt er dan bij jou? Je wordt niet verdrietig over het feit dat je geen gevoel hebt…je moeder gaat dood, dat was terecht [Philip lacht] ….maar hoe is het dan met jouw gevoel, wacht… dit wordt ingewikkeld.
P: Voorbeeld, vorige week reed ik een kat dood, hij schoot plotseling uit de berm. Ik reed ongeveer honderd kilometer per uur. Mijn vriend zat naast me. Die kat was natuurlijk hartstikke dood. Dan voel ik niets, maar mijn vriend heeft daar een dag last van gehad. Die was helemaal onder de indruk. Ik niet.
A: Duh, welke kat haalt het in zijn hersens om over te steken terwijl er een iets te forse vrolijke avonturier met honderd op hem af komt. Eigen schuld toch?
P: [lacht] Ja maar ik voel dus niets.
A: Natuurlijk niet, met jouw gewicht en van die auto is zo’n kat in één keer plat!
M: Maar jouw vriend heeft er dus last van, dat is van hem. En had jij dan weer last van die vriend van je?
P: [giechelt] Nou, ik merk wel dat we dan een soort storing op de lijn hebben.
A: Maar hou je van hem?
P: [serieus] Jazeker, ik hou heel veel van hem!
M: Hoe weet je dat dan?
P: Nou, ik vind het prettig dat hij bij mij in de buurt is.
M: Maar dan voel je toch wat?! Of kan dat ook aan en uit zijn?
P: Eh, ja.
M: Dus soms weet je het wel en soms weer niet. Wanneer was de laatste keer dat je het gevoeld hebt? Dat je voelde, ik hou van jou.
A: Toen je over de kat reed?
Iedereen schiet in de lach. Als de lach voorbij is, verzacht A:rno
A: Jij lijkt mij een extreem lieve man, en dat meen ik oprecht. Jij lijkt mij ook een man die zich zorgen kan maken over anderen. Over hoe het met je vrienden is. Jij hebt een goede antenne voor anderen, over hoe het met ze gaat.
P: Ja, 100% waar!
M: Dat ís voelen! Dat kan jij dus. Zonder knop!
P: Klopt!
A: En vind je het dan eng om te voelen?
P: Nee, dat niet.
A: Vind je het eng om verdriet te voelen? Of boosheid?
Philip valt stil.
M: Kijk eens even naar jezelf in de spiegel. Denk eens na over je vriend. Die heeft dit allemaal aangehoord. Wat zou je nu tegen je vriend zeggen?
Philip denkt lang na.
A: Sorry voor de kat!
P: [schiet in de lach] Ik weet het niet.
A: Stel, jouw vriend komt bij je en zegt: ik heb kanker. Wat dan?
P: Dan schakel ik in een fractie van een seconde over. Oké, dat is zo. Daar kunnen we niets aan doen. En dan gaan we er een zo goed mogelijke tijd van maken.
M: En dan rij je hem onder de auto?!
P: [glimlach] Nee, kijk, het klinkt misschien hard, maar ik zit er niet mee, omdat ik denk: ja, het feit is er al. Dus we gaan door en maken er het beste van. .
A: Dus heb jij er dan wél last van, dat jij niet kunt voelen?
P: Nee.
M: Stel dat je dit nou gewoon zegt tegen die vriend: weet je, het is misschien stom, ik zie dat jij ermee zit, van die kat, maar voor mij is het niets, ik zit er niet mee. Dus ik zeg het toch maar even, dan weet je dat.
P: Ja, dat is denk ik het hoofdstuk wat ik zou moeten doen. Ik maak het nu niet bespreekbaar. Ik ga gewoon verder met mijn leven zonder anderen mee te nemen.
Arno [gaat voorover zitten en komt dichterbij Philip; hij praat zachter] Kun jij wel vertragen? Kan jouw tempo omlaag? Jij hebt een hoog tempo. Je rijdt met honderd een kat dood.
M: Sommigen doen dat met vijftig….
P: Moeilijk.
A: Heb je het zelfs geprobeerd?
P: JA!
A: Hoe dan?
P: Ik kwam vroeger vaak bij een andere vriend van mij; hij is inmiddels overleden. Hij was een paradijsvogel, een schilder, een muzikant. Hij had een bepaalde kijk op het leven, en daar nam hij anderen in mee, mij ook. Dan gingen we naar schilderijen kijken. Daar nam je dan de tijd voor.
M: Vond je dat prettig?
P: Ja, máár: als ik merk dat mijn leven rustig wordt, word ik dus heel onrustig.
M: En waarom besteed je dan geen aandacht aan die onrust?
A: Jouw neiging is dan om te gaan bewegen. Dan voel je de onrust dus niet.
P:Ja, correct.
A: Wil je dat zo houden? Dat kan ook, dat is ook een keuze, hè!?
P: Het klopt, dat vertragen is een goed idee!
A: Dus als je zegt: ik wil het zo houden, dan doe je dat. Als je zegt: ik wil het veranderen, dan moet je vertragen. Dus geen sprintje trekken, net als die kat waar je overheen bent gedenderd.
Philip lacht.
A: Durf je te vertragen?
P: Ja, dat durf ik.
M: Ga je een poging wagen?
P: Ja!.
M: Eigenlijk zeg je twee dingen. Eén: je zegt dat je de mensen die je lief hebt meeneemt in wat er met jou gebeurt. Dat is één. Gewoon een mededeling, maar wel op jouw manier. En twee: je gaat een poging wagen te vertragen, toch?
P: Ja, precies.
A: Nou, dan wil ik je alvast bedanken.
P: Waarvoor?
A: Dankjewel Philip, namens alle katten die je de komende tijd niet meer plat gaat rijden!
